Main

 
PROMINENTE KETTERIJEN

PROMINENTE KETTERIJEN

http://www.catholic.com/answers/tracts/heresies.htm

last modified May 25, 1996

vertaling: Mac de Nie 2002

Reeds bij aanvang van het Christendom, werd de Kerk voortdurend geplaagd met, en belaagd door valse leringen of dwaalleer.

Vandaag de dag kunnen we het telefoonboek van een grote stad [in de USA] er op naslaan om elk kerkgenootschap te vinden dat bijna precies aanbiedt wat wíj wensen. Sommigen leren, dat Jezus géén God is, of dat Hij de énige Persoon in de Drie-eenheid is, of dat er vele goden zijn (drie van wie zijn: de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest), of dat wíj goden kunnen worden, of dat men het heil nooit kan verliezen, of dat er géén hel is, of dat homoseksualiteit een normale levenstijl is voor een Christen, en nog veel meer leringen.

De Bijbel waarschuwt ons, dat dit zou gebeuren. De Apostel Paulus vertelde aan zijn jonge beschermeling Timotheus: "Want de tijd is aanstaande dat mensen de gezonde leer niet meer aan kunnen, maar kittelachtig van gehoor geworden zijnde zullen ze zichzelf leraren opzamelen naar hún believen, en zullen zich afwenden van het luisteren naar de waarheid om in fabelen rond te dwalen" (2 Tim. 4:3-4).

WAT IS KETTERIJ?

Voordat we ons verdiepen in de grote dwaalleren binnen de kerkgeschiedenis, is beschouwing van de natuur van ketterij op zijn plaats. Dat is belangrijk, want ketterij is een emotioneel geladen term die vaak misbruikt wordt.

Ketterij is niet hetzelfde als: ongeloof, schisma, afval of andere zonden tegen het geloof.

De Katechismus van de Katholieke Kerk definieert als volgt:

"Ongeloof is veronachtzamen van de geopenbaarde waarheid of de moedwillige weigering haar aan te nemen.

Ketterij is de obstinate weigering, na het doopsel, van enige waarheid die aangehangen moet worden met goddelijk- en katholiek geloof, of een even obstinate twijfel aan zo'n geloofswaarheid;

Afval is de totale verwerping van het Christelijk geloof;

Schisma is de weigering zich te onderwerpen aan de Romeinse Pontifex of van gemeenschap met de leden van de Kerk onder diens leiderschap". (KKK 2089)

Om zich schuldig te maken aan ketterij moet men hardnekkig (onherstelbaar) vasthouden aan de dwaling. Een persoon die open staat of simpelweg niet op de hoogte is, dat zijn gezegde tégen de Kerkleer is, is geen ketter.

De twijfel of de ontkenning binnen de dwaalleer moet ook nog plaatsvinden na gedóópt te zijn. Een persoon moet gedoopt zijn wil hij ketterij kunnen bedrijven. Dit betekent, dat bewegingen die een afsplitsing zijn of beïnvloed zijn door het Christendom, maar die het doopsel niet toepassen of geen geldige doop hebben, géén ketterse zijn, maar zelfs andere religies (bijv. Islam en Getuigen van Jehovah, die niet dopen of niet geldig dopen).

Als laatste moet de twijfel of ontkenning in de dwaling betrekking hebben op een zaak die met "goddelijk en katholiek geloof" aangenomen moet worden - met andere woorden, een zaak die door de Kerk is gedefinieerd (b.v. Drievuldigheid, de Menswording, de Werkelijke Aanwezigheid van Christus in de Eucharistie, het offerkarakter van de H. Mis, de Onfeilbaarheid van de Paus, de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en haar Tenhemelopneming).

Het is uitermate belangrijk om het onderscheid te weten tussen ketterij, schisma en geloofsafval. Bij schisma zondert men zich af van de Katholieke Kerk zonder de geloofsleer aan te tasten (een voorbeeld van een huidig schisma is dat van de Priesterbroederschap Sint Pius X - de volgelingen van Aartsbisschop Marcel Lefebvre + -- die in de jaren 80 zich afzonderden, maar die geen Katholieke doctrine verwerpen). In geloofsafval verwerpt men het Christelijke geloof totaal en maakt er geen aanspraak op Christen te zijn.

Met dit in het achterhoofd kunnen we de grootste dwaalleren in de geschiedenis van de Kerk eens gaan bezien en ook het moment waarop ze zijn begonnen.

HET JUDAÏSME ( 1e eeuw )

De dwaalleer van het Judaïsme kan gevonden worden in de woorden van (Hand. 15:1) "Maar sommige mannen kwamen af van Judea en onderwezen de broeders, 'tenzij gij besneden zijt volgens de wet van Mozes, kunt gij niet behouden worden."

Veel van de vroege Christenen waren Joden, die hun voormalige geloofsuitingen meebrachten naar het christelijke geloof. Zij herkenden in Jezus de Messias die door de Profeten was voorspeld en Die de vervulling is van het Oude Testament. En omdat de besnijdenis in het Oude Testament vereist was voor lidmaatschap in Gods verbond, namen velen aan, dat het ook vereist was voor het lidmaatschap in het Nieuwe Verbond dat met Christus was begonnen. Derhalve geloofden zij, dat iemand besneden moest worden en de Wet van Mozes onderhouden om te kunnen komen tot Christus. Met andere woorden, dat iemand een Jood moest worden om een Christen te kunnen worden.

GNOSTICISME ( 1e en 2e eeuw )

"De materie is slecht!" zo was de roep van de Gnostici. Deze visie was door hen van bepaalde Griekse filosofen geleend. Ze is echter in tegenspraak met de katholieke leer, en niet alleen omdat het Genesis 1:31 ("En God zag dat al Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed") tegenspreekt en andere schriftplaatsen, maar omdat het de Menswording ontkent. Als de materie slecht is, kan Jezus Christus niet Ware God en ware mens zijn, want Christus is op geen enkele wijze slecht. Zodoende ontkenden vele Gnostici de Menswording, door te beweren dat Christus alleen als een man verscheen, maar dat Zijn menszijn slechts illusie was.

Sommige Gnostici, die toegaven dat het Oude Testament onderwijst dat God de materie heeft geschapen, beweerden dat de God van de Joden een slechte godheid was die onderscheiden was van de nieuwtestamentische God van Jezus Christus. Zij stelden ook geloof in meerdere goddelijke entiteiten voor, die "aeons" werden genoemd en die als middelaars optraden tussen de mensheid en de ultieme, onbereikbare God. De laagste van deze aeons, degene die met de mensheid contact had was Jezus Christus.

MONTANISME ( laat 2e eeuws )

Montanus begon zijn carrière onschuldig genoeg door het prediken van terugkeer tot boete en vurigheid. Hij beweerde echter ook dat zijn leringen boven die van de Kerk stonden omdat hij onder directe inspiratie van de Heilige Geest zou staan. Hij begon alras de spoedige terugkeer van Christus te onderwijzen in zijn woonplaats Phrygia. Zijn beweging legde ook grote nadruk op de voortzetting van miraculeuze gaven zoals het spreken in tongen en de profetie.

SABELLIANISME ( vroeg 3e eeuws )

De Sabellianisten leerden dat Jezus Christus en God de Vader geen onderscheiden Personen zijn, maar slechts twee aspecten of bedieningen waren van één Persoon. Volgens hen bestonden de drie Personen van de Drie-eenheid slecht als zodanig in hun betrekking tot de mens, maar niet als zodanig objectief gezien.

ARIANISME ( 4e eeuw )

Een van de grootste ketterijen die de Kerk ooit heeft moeten bestrijden is het Arianisme. Arius onderwees dat Christus minder dan goddelijk was, maar een schepping van God. Door zijn ketterij te bedekken door het gebruik van orthodoxe en bijna-orthodoxe terminologie was hij in staat een zeer grote verwarring te stichten in de Kerk. Hij wist de steun van vele bisschoppen te verwerven, terwijl anderen hem excommuniceerden.

Het Arianisme werd op het Eerste Concilie van Nicea in 325 AD plechtig veroordeeld, alwaar de godheid van Christus werd voorgehouden om te geloven. En in 381 AD op het Eerste Concilie van Constantinopel werd de godheid van de Heilige Geest gedefinieerd. Deze twee concilies gaven ons de geloofsbelijdenis van Nicea, die door de Katholieken elke zondag wordt beleden.

PELAGIANISME ( 5e eeuw )

Pelagius een Welshe monnik was de initiator van deze lering. Hij ontkende dat we de originele zonde van Adam in de Hof overerven, waardoor we zondig worden alleen al omdat we geboren worden in de solidariteit van een zondige mensengemeenschap, die ons het slechte voorbeeld geeft. Daarentegen ontkende hij dat we de rechtvaardigheid verkrijgen als resultaat van Christus dood aan het kruis, maar beweerde dat we persoonlijk rechtvaardig worden door instructie en navolging in de Christengemeenschap, van het voorbeeld van Christus.

Volgens Pelagius wordt de mens moreel gezien neutraal geboren en kan deze de hemel bereiken op eigen kracht. Volgens hem is de genade van God niet nodig, maar maakt deze, anders moeilijke, taak wel gemakkelijker.

NESTORIANISME ( 5e eeuw )

Deze ketterij inzake de persoon van Christus werd geiintroduceerd door Nestorius, bisschop van Constantinopel. Hij ontzegde aan Maria de titel van Theotokos (Grieks voor: "Goddraagster" of, minder letterlijk, "Moeder van God"). Nestorius beweerde dat zij slechts Christus' menselijke natuur in haar schoot droeg, en stelde als alternatieve titel Christotokos voor ("Christusdraagster"of "Moeder van Christus").

Orthodox Katholieke theologen herkenden onmiddellijk het feit dat, de theorie van Nestorius, Christus op deze manier in twee aparte personen zou splitsen (de ene menselijk en de andere goddelijk op losse wijze verenigd), aangezien slechts één van de naturen in de schoot van Maria aanwezig was. In 431 AD reageerde de Kerk tijdens het Concilie van Efese, door te definiëren dat Maria strikt genomen kan worden gezien als Moeder van God, niet dat ze ouder dan God zou zijn of de bron waaruit God komt, maar in die zin dat de persoon die zij droeg in haar schoot, feitelijk, God geïncarneerd (in het vlees) is.

MONOFYSITISME ( 5e eeuw )

Als reactie op het Nestorianisme kwam het Monofysitisme op. De Monofysitisten (onder aanvoering van een man die Eutyches heette) vonden het een gruwel dat Nestorius beweerde dat Christus twee personen met twee verscheidene naturen (menselijk en goddelijk) zou zijn. Ze vervielen in een andere extreme, door te beweren dat Christus één persoon met één natuur (een vermenging van de menselijke en goddelijke elementen). Ze staan bekend als Monofysitisten vanwege hun bewering dat Christus slechts over één natuur beschikte (in het Grieks: mono = één; physis = natuur).

Rechtgelovige katholieke theologen herkenden direct dat het Monofysitisme net zo slecht was als het Nestorianisme. Beiden ontkennen de volledige menselijkheid en de volledige goddelijkheid van Christus. Indien Christus geen volledige menselijke natuur zou hebben zou Hij geen mens zijn. En als zijn goddelijke natuur geen volledige zou zijn dan was Hij niet volledig goddelijk. De idee dat Hij een enkele natuur zou hebben opgebouwd uit goddelijke en menselijke elementen zouden noch aan de ene, noch aan de andere zijde van Zijn Persoon rechtdoen.

ICONOCLASME ( 7e en 8e eeuw )

Deze ketterij kwam op met een groep mensen die als iconoclasten (letterlijk, "beelden stormers /-slopers") bekend staan. Zij beweerden dat het zondig is om afbeeldingen en beelden te maken van Christus en de heiligen, ondanks het feit dat God in de Bijbel opdracht had gegeven om religieuze beelden te maken (bijvoorbeeld in, Ex.25:18-20 en 1 Kron.28:18-19), inclusief een symbolische representatie van Christus (Num.21:8-9 met Joh.3:14).

CATHARISME ( 11e eeuw )

Catharisme was een gecompliceerde vermenging van niet-christelijke religies beschreven in christelijke bewoordingen. De Catharen bestonden uit meerdere onderling verschillende sekten. Hetgeen ze gezamenlijk hadden was de leer, dat de wereld door een demonische godheid was geschapen (derhalve zou materie duivels zijn) en dat de goede godheid in diens plaats moest aanbeden worden

De Albigenzen vormden de grootste Cathaarse sekte. Zij leerden dat de geest door God was geschapen, en zodoende goed was, terwijl het lichaam door de slechte god was geschapen. Derhalve diende de geest bevrijd te worden van het lichaam. Het hebben van kinderen was één van de grootste zonden, want dat bracht met zich mee, dat een andere 'geest' werd gevangen gezet in een lichaam. Logischerwijs, was het huwelijk verboden, maar ontucht gepermitteerd. Uiterst zware vasten en heftige verstervingen van allerlei soort werden gepraktiseerd en hun leiders gingen rond in hun zelf verkozen armoede.

PROTESTANTISME (16e eeuw)

Protestanten groepen vertonen een baaierd aan verschillende geloofsleren. Echter, in de praktijk gaan ze er allen prat op te geloven in de leer van Sola Scriptura ("door de Bijbel alleen"-de idee dat we voor de grondslag van onze theologie alleen gebruik dienen te maken van de Bijbel) en Sola Fide ("door geloof alleen"-de idee dat we door geloof alleen worden gerechtvaardigd). Maar er is weinig overeenstemming wat deze twee sleuteldoctrines betekenen - in het bijzonder Sola Fide. Bijvoorbeeld geloofde Luther dat reddend geloof wordt uitgedrukt in het doopsel, hetgeen volgens hem ons doet wedergeboren worden en onze zonden vergeeft. Menig Fundamentalist meent dat dit een vals evangelie is en dat de doop slechts een symbool is.

De grote verscheidenheid aan Protestantse leringen vindt haar oorsprong in het persoonlijk oordeel, hetgeen de onfeilbare autoriteit van de Kerk ontkent en er aanspraak op maakt dat elke mens voor zich de Schrift mag interpreteren. Deze zienswijze wordt in 2 Petr.1:20, de eerste regel voor Bijbel-interpretatie weersproken: "Gij moet voor alles dit begrijpen, dat geen profetie noch schriftwoord is van iemands eigen interpretatie." Een belangrijk kenmerk van deze ketterij is de poging om de Kerk en de Bijbel als tegenstanders op te stellen, door te ontkennen dat het leergezag onfeilbare autoriteit zou hebben om de Schrift te onderwijzen en uit te leggen.

De leer van persoonlijk oordeel heeft een enorm aantal verschillende kerkgenootschappen opgeleverd. Volgens The Christian Sourcebook, waren er in 1986 21.000 kerkgenootschappen, met een groei van 270 nieuwe denominaties per jaar. Voornamelijk allemaal Protestants.

JANSENISME (17e eeuw)

Jansenius was bisschop van Ypres, Frankrijk, en startte deze ketterij met een studie die hij schreef over St. Augustinus. Het was een nieuwe omlijning van de doctrine over de genade. Zijn volgelingen ontkenden, naast andere leerstellingen, dat Christus zou zijn gestorven voor alle mensen, maar leerden daarentegen dat Hij stierf alleen voor hen die uiteindelijk gered zullen zijn (de uitverkorenen). Deze en ander Jansenistische dwalingen werden officieel verworpen door Paus Innocentius X in 1653.

MODERNSIME (20e eeuw)

De modernistische gedachte is, in essentie, dat de mens niet in staat is om de werkelijkheid te begrijpen en dat 'waarheden" slechts relatieve begrippen zijn. Voor de modernist bestaan er geen absolute waarheden. De leerstellingen die onfeilbaar zijn omschreven door de Kerk kunnen derhalve overeenkomstig de eis der tijd worden veranderd - of verworpen of opnieuw worden geïnterpreteerd om de moderne maatstaven te dienen.

Modernisme behoort tot één van de meest kwalijke ketterijen, aangezien ze iemand toestaat welke doctrine dan ook te verwerpen, inclusief centrale leerstellingen als de godheid en de opstanding van Christus. Het opent de deur voor dwalingen zoals alle eerdere ketterijen en van allerlei nieuwe valse leringen die de toenmalige ketters nooit hadden kunnen bevroeden.

Modernisme is vooral zo'n serieus gevaar omdat haar voorsprekers hun 'geloof' verpakken in orthodoxe- en bijna orthodoxe bewoordingen. De dwaling wordt vaak uitgedragen door een nieuwe symbolische uitleg, bijvoorbeeld: Christus zou niet fysiek uit de dood zijn opgestaan, maar het verhaal van Zijn opstanding deelt ons een belangrijke waarheid mee. Een algemeen door modernisten gebruikt trucje is hun vasthouden aan hun verklaring dat zíj de orthodoxe uitleg geven.

Ketterijen zijn aan de orde van de dag geweest sedert het begin van de Kerk. Vaak waren het kerkleiders die er mee begonnen, maar zij werden steeds door concilies en pausen gecorrigeerd. Gelukkig hebben we de belofte van Christus dat de ketterijen de Kerk nooit zullen overwinnen, want Hij zei tegen Petrus: "Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen" (Matth. 16:18). De Kerk is naar waarheid, volgens de woorden van de Apostel Paulus, "de Pijler en het Fundament van de waarheid" (1 Tim. 3:15).